Leesbevordering
Wat is het belang van lezen en leesbevordering?
Tevreden over leesbevordering op school?
De leescoördinator als duizendpoot
Eenzijdig leesdieet
Informatieve boeken belangrijk voor begrijpend lezen én leesmotivatie
Activiteiten rond het voorlezen van prentenboeken in groep 1-2
Al die duizend letters ...
Kerndoel 9 in de praktijk
Vrij lezen is geen zoethoudertje
(Mee)praten over boeken
Samen voorlezen

Wat is het belang van lezen en leesbevordering?

‘Lezen en literatuur geven zin en glans aan het leven. Ik beschouw literatuur daarom als een domein dat voor iedereen toegankelijk moet zijn, een burgerrecht bijna. Om die reden wil ik dat ieder kind kennismaakt met de waarde en het plezier van lezen.’
Minister Plasterk van OCW in een brief uit maart 2008 aan de Tweede Kamer

Bron: OBERON: Leesbevordering in het basisonderwijs. Een onderzoek naar actualiteit en toekomstperspectief. Amsterdam: Stichting Lezen, 2009, p. 33. Te downloaden via www.lezen.nl (onder Publicaties).

‘De bevordering van het leesplezier heeft op veel scholen een belangrijke plaats. Een doelstelling van leesbevordering is dat leerlingen het lezen niet alleen als een schoolvak ervaren, maar ook als een zinvolle vrijetijdsbesteding. Kinderen die in hun vrije tijd lezen, vergroten hun leeservaring en meestal ook hun leesvaardigheid, wat weer een positief effect heeft op de leerresultaten.’

Bron: www.zeeuwsebibliotheek.nl. Klik hier om het volledige artikel te lezen.

‘Als kinderen op de basisschool komen zónder dat er thuis iets gedaan is aan de “ontluikende geletterdheid”, dan zal de school alle zeilen moeten bijzetten.
Kinderen beginnen dan met een achterstand, maar een school die leesbevordering hoog in het vaandel heeft staan, kan die achterstand grotendeels inlopen. Natuurlijk door zélf aan de slag te gaan met kinderen, maar ook door ouders te blijven overtuigen van het belang van plezier in lezen.’

Bron: Jacques Vriens: ‘Dus jij wil mij dwingen om te lezen!’ Of: we moeten al zoveel!. In: Leesgoed, 2010, nummer 2, p. 42-44, hier p. 43.

Tevreden over leesbevordering op school?

Onderzoeks- en adviesbureau OBERON vroeg leerkrachten of ze tevreden zijn met de manier waarop op hun school aan leesbevordering wordt gewerkt. Dit waren de uitkomsten:
     Heel tevreden: 12%
     Tevreden: 52%
     Niet tevreden, niet ontevreden: 24%
     Ontevreden: 10%
     Heel ontevreden: 2%

De antwoorden op de vraag ‘Wat zou u willen veranderen of vernieuwen?’ konden in drie categorieën worden ingedeeld: 
1. Er is meer behoefte aan structuur en beleid op het gebied van leesbevordering. 
2. Er is behoefte aan meer variatie in het activiteitenaanbod. 
3. Er is behoefte aan meer status, zowel in uren als in budget.

Bron: OBERON: Leesbevordering in het basisonderwijs. Een onderzoek naar actualiteit en toekomstperspectief. Amsterdam: Stichting Lezen, 2009, p. 16. Te downloaden via www.lezen.nl (onder Publicaties).

 

De leescoördinator als duizendpoot

Om een lees- en boekenbeleid op school te kunnen ontwikkelen, structureren en coördineren, is de aanwezigheid van een leescoördinator noodzakelijk, volgens Paul Vierboom, voormalig directeur van de Rotterdamse Oscar Romeroschool: ‘Een goede leescoördinator kan het team namelijk veel werk uit handen nemen waardoor de drempel om met activiteiten mee te doen voor veel leerkrachten een stuk lager komt te liggen.’ Op de Oscar Romerschool is de leescoördinator gemiddeld een halve tot één dag per week vrijgeroosterd voor (lees)coördinerende taken. Die taken zijn zeer divers: ‘Ik doe eigenlijk alles wat met leesbevordering te maken heeft. Ik koop de boeken voor de schoolbibliotheek en maak ze klaar voor gebruik. Ik houd het aanbod van culturele instellingen in de gaten en onderhoud contacten met leescoördinatoren van andere scholen en met bijvoorbeeld de openbare bibliotheek. Ook leg ik contacten met uit te nodigen schrijvers en illustratoren, werf ik fondsen en plan ik alle leesbevorderingsactiviteiten aan het begin van het jaar in. Deze activiteiten worden ook door mij georganiseerd en gecoördineerd. Verder werk ik de leerkrachten in de activiteiten in zodat zij op een eenvoudige manier met de activiteiten aan de slag kunnen.’ De leescoördinator houdt ook voor elke leerkracht een leesbevorderingsmap up-to-date, met daarin de planning van de leesbevorderende activiteiten op school, een draaiboek voor alle activiteiten en lessuggesties uit tijdschriften als Leesgoed.

PS De in 2009 overleden Vierboom ontving kort voor zijn dood de Leesgoedprijs voor zijn initiatieven op het gebied van leesbevordering.

Bron: Drie schoolportretten literatuureducatie/leesbevordering. Over het gebruik van het aanbod literatuureducatie/leesbevordering van culturele instellingen in het basisonderwijs. Een inspectierapport. Utrecht, 2003, p. 16.

Eenzijdig leesdieet

Bij veel jongeren valt een eenzijdig leesdieet te bespeuren. Vormt dit dieet een opstapje naar andere verhalen, of kunnen deze voorkeuren ook het eindstation zijn?, is een vraag aan Rita Ghesquiere, die jarenlang jeugdliteratuur doceerde in Leuven:
‘Zeker wat jonge kinderen betreft geloof ik dat ze uit gemakkelijke series groeien en wanneer ze de formule doorhebben uitkijken naar nieuwe en andere boeken die iets uitdagender zijn, wat niet belet natuurlijk dat ze op bepaalde momenten teruggrijpen naar en nog echt kunnen genieten van een eenvoudig boek of een strip. Persoonlijk vind ik Geronimo Stilton tot de betere series behoren, omdat de reeks toch heel veel culturele en literaire elementen bevat. De reeks beweegt zich vaak op de grens tussen fictie en informatie en bouwt dus echt aan de literaire en culturele competentie. De doelgroep is lezers tussen 8 en 12 jaar. Ze kiezen daarna wellicht spannender avonturenverhalen of andere genres. (...)
De rol van de bemiddelaar is hierbij van groot belang. Vooral de school kan en moet door het aanbod en door de opdrachten het al te eenzijdige leespatroon doorbreken. Ook de bibliotheek en de bibliothecaris hebben hier een verantwoordelijkheid. Maar het aanbod zelf en de hele commercie er omheen werkt natuurlijk ook in een bepaalde richting.’

Bron: Ik ben nog steeds een veellezer, een interview met Rita Ghesquiere. In: Literatuur zonder leeftijd, 24e jaargang, nr. 81, voorjaar 2010,
p. 97-105, hier p. 102-103.

Informatieve boeken belangrijk voor begrijpend lezen én leesmotivatie

Vanaf een jonge leeftijd kunnen kinderen begrip ontwikkelen van meerdere genres. Dat begrip gebruiken ze zowel bij het lezen als het schrijven. Al vroeg leren kinderen bijvoorbeeld dat een verhaal iets anders is dan een tekst waarin je uitlegt hoe je je konijn moet verzorgen of een boodschappenbriefje. Op school valt de balans echter meestal ten gunste van verhalende teksten uit. Wetenschappers verklaren de grote moeite die kinderen soms met informatieve teksten hebben uit het feit dat er meer aandacht is voor verhalende teksten dan voor informatieve teksten, vooral in de eerste jaren van het basisonderwijs. Waarom zijn informatieve teksten/boeken belangrijk? Onder meer vanwege het volgende: 1. Informatieve boeken bieden leerlingen andere mogelijkheden om kennis op te bouwen dan fictie. Ze bevatten ook veel beschrijvingen, rijke voorbeelden en illustraties en zijn daardoor toegankelijker dan tekst- of leerboeken. 2. Informatieve teksten brengen kinderen kennis van de wereld bij, en die kennis hebben ze weer nodig bij het begrijpend lezen. 3. Informatieve boeken sluiten aan bij de interesses van kinderen en hun nieuwsgierigheid, en die nieuwsgierigheid is weer een belangrijke motivatie om te lezen.

Bron: Karen Ghonem-Woets: Kennis van literaire conventies bij kinderen in de basisschoolleeftijd. Amsterdam: Stichting Lezen, 2010. Te downloaden via www.lezen.nl (via Publicaties)

Activiteiten rond het voorlezen van prentenboeken in groep 1-2

Uit een onderzoek naar de praktijken in groep 1-2 rond het voorlezen van prentenboeken, bleek dat leerkrachten voor, tijdens en na het lezen bepaalde routines hebben ontwikkeld. Vóór het lezen stellen ze vragen over de kaft, de titel en het thema, stellen ze het genre en/of het seriekarakter aan de orde, verwijzen ze naar eerder gelezen prentenboeken én laten ze de kinderen gebeurtenissen voorspellen. Deze activiteiten sluiten mooi aan bij wat Annerieke Freeman-Smulders ooit bepleitte in het kader van het meer gebruikmaken van de al aanwezige verhaalkennis bij kinderen. Die voorkennis kan feitelijke en emotionele voorkennis zijn ten aanzien van de inhoud van het boek, of kennis van verhaalpatronen.
Tijdens het voorlezen geven de leerkrachten de kinderen nog meer de gelegenheid om gebeurtenissen te voorspellen, en daarnaast mogen de kinderen ook vragen stellen en/of opmerkingen maken. De leerkracht stelt ook vragen over de illustraties, maar wat hij of zij met name doet, is onbekende woorden uitleggen.
Na het lezen mogen kinderen vooral hun mening geven, hun persoonlijke ervaringen met het thema inbrengen, vragen stellen en/of opmerkingen maken. En de leerkracht komt dan vaak weer terug op het genre, het seriekarakter en op eerder gelezen prentenboeken, net zoals bij vóór het lezen.

Bron: Karen Ghonem-Woets: Elke dag boekendag! Amsterdam: Stichting Lezen, 2009. Te downloaden via www.lezen.nl (onder Publicaties).

Al die duizend letters ...

‘Op school moesten Iwan Olsen en de andere kinderen letters leren en nog meer van dat soort dingen.
Maar dat ging niet zo goed.
Tenminste niet bij Iwan Olsen.
Hij kon maar niet onthouden hoe de letters heetten. Hij vond ze allemaal op elkaar lijken en als ze in een boek stonden, zagen ze eruit als hele massa’s krioelende mieren.
Bijna alle andere kinderen konden wel letters leren en sommige kinderen konden echte boeken lezen.
Maar Iwan Olsen kon helemaal niks lezen.
Hij zat zich alleen maar met het zweet in zijn handen af te vragen hoe al die letters ook al weer heetten.’

Iwan vraagt zijn meester waarom hij niet iets anders kan leren. Zijn meester antwoordt dat dat niet kan, omdat je volgens de wet op school moet leren wat er in de boekjes staat. En ook dat hij maar een heel gewoon iemand is, die de wet niet kan veranderen. Dat vindt Iwan heel jammer: ‘Want ik krijg al die duizend letters nooit uit mijn hoofd geleerd.’

Bron: Ole Lund Kirkegaard: Pudding Tarzan. Amsterdam: Van Goor, 1988,
p. 16, 18.

Dat het leren lezen niet voor iedereen even gemakkelijk is, kan verschillende oorzaken hebben, zoals dyslexie, gehoorstoornissen of verstandelijke handicaps. Ook tweedetaalleerders kunnen grote moeite met leren lezen hebben. ‘Het is belangrijk deze doelgroep de juiste boeken en hulpmiddelen aan te bieden zodat ze ervaren dat lezen ook voor hen plezierig kan zijn,’ is te lezen op www.schoolbieb.nl.

Klik hier om bestanden te kunnen kiezen met geschikte boeken en andere media.

Kerndoel 9 in de praktijk

Kerndoel 9 luidt: ‘De leerlingen krijgen plezier in het lezen en schrijven van voor hen bestemde verhalen, gedichten en informatieve teksten.’ Hoe bereik je dat in de klas? Op www.leraar24.nl is een uitwerking van het kerndoel te vinden met praktische voorbeelden. Ter illustratie een voorbeeld voor groep 3-4:
‘Elke week krijgen de kinderen bij juf Marlies een uur om te lezen naar keuze. De kinderen mogen zelf leesboeken, tijdschriften of stripverhalen meebrengen. Ze mogen ook iets kiezen uit de “leeshoek”. In de leeshoek ligt van alles om te lezen wat in de loop van de tijd door kinderen en de juf is verzameld. Voorafgaande aan het uur brengt juf Marlies een aspect van lezen aan de orde (soorten teksten, waarom je leest, etc.).
Vandaag bespreekt de juf met de kinderen hoe je andere kinderen kunt interesseren voor een boek dat je zelf heel mooi vond. Aan de hand van een voorbedrukt blad bespreekt de juf met de kinderen wat je zoal op kunt schrijven over een boek dat je gelezen hebt. Ze zegt: “Wat is de titel, wie heeft het geschreven, staan er tekeningen bij, welke zinnen vind je mooi? Op het voorbedrukte blad schrijf je de informatie op. Tot slot schrijf je op waarom iemand anders het boek zeker moet lezen. Je ‘boekbespreking’ stop je vervolgens in het postbusje van een ander kind van wie je denkt dat die het boek ook heel mooi zal vinden.” Zo wordt hopelijk het leesplezier doorgegeven!’

Klik hier voor het volledige artikel.

Vrij lezen is geen zoethoudertje

Op www.leraar24.nl schrijft men over vrij lezen: ‘Kinderen krijgen de kans om lekker te leren lezen in een zelfgekozen boek. Vrij lezen dient een vaste schoolactiviteit te zijn die op het rooster staat ingepland. Het is geen zoethoudertje voor kinderen die hun werk af hebben. Dagelijks in groep 4
10-30 minuten per dag, in de hogere groepen 30 minuten.’

Klik hier voor het volledige artikel onder Kwaliteitskaart ‘Leesbevordering’.

Uit het onderzoek van onderzoeks- en adviesbureau OBERON naar leesbevordering bleek dat de meeste basisscholen structureel tijd hebben vrijgemaakt voor vrij lezen: ‘Van ruim 70% van de scholen in groep 3 tot ruim 80% in groep 8. Het aantal minuten varieert van 10 tot 120 minuten per week en het neemt toe in de hogere groepen. Een enkeling schreef dat het gaat om lezen als het werk af is, maar door meerdere respondenten werd gemeld dat het de gewoonte is dat alle groepen dagelijks vrij lezen op een vast moment.’

Bron: OBERON: Leesbevordering in het basisonderwijs. Een onderzoek naar actualiteit en toekomstperspectief. Amsterdam: Stichting Lezen, 2009, p. 15. Te downloaden via www.lezen.nl (onder Publicaties).

(Mee)praten over boeken

In de Volkskrant werd Aidan Chambers geïnterviewd: ‘In Vertel eens geeft Chambers regels die van het traditionele eenrichtingsverkeer in de boekenpraatjes een overlegsituatie moeten maken, waarin lezers met elkaar dingen over het boek ontdekken. Vragen als “Waarom?”, “Waar gaat het eigenlijk over?” of “Wat bedoelt de auteur?” moeten vermeden worden, omdat ze de leerling het gevoel geven van een overhoring. Beter is: “Hoe lang duurt het verhaal volgens jou?”, “Welke verhaalfiguur boeit jou het meest?” en “Wie vertelt het verhaal en hoe weten we dat?”
Het is een aanpak die zelfs de meest verstokte boekenhater nieuwsgierig maakt, zegt Chambers. “De mening van de klasgenoten is voor een kind belangrijker dan die van de leraar. Als hij zijn beste vriendjes over een boek hoort praten, dan wil hij meedoen. Gewoon een kwestie van jaloezie. Kinderen leren op die manier dat boeken niet alleen bladzijden met woordjes zijn, maar dat je er ook over kunt praten en nadenken.”’

Bron: www.volkskrant.nl. Klik hier voor het volledige artikel.

Samen voorlezen

Ewoud Sanders vraagt zich af of je bij een bepaalde leeftijd met voorlezen moet ophouden. Hij zou niet weten waarom en vertelt hierover een mooie persoonlijke anekdote:
‘Mijn vrouw leest mij ook nog weleens voor. In de auto – als we samen lange stukken rijden – of ’s avonds in bed, als zij iets leest dat ze heel bijzonder vindt. Onze kinderen leest ze nog wekelijks voor. Mijn dochter van dertien heeft inmiddels een dubbele agenda: ze vraagt mijn vrouw om haar voor te lezen uit boeken die zij voor school moet lezen. Niet alleen omdat ze dat prettig vindt, ook omdat ze die boeken in haar eentje niet uit krijgt.
Dat voorlezen iets voor alle leeftijden is, heb ik nog nooit zo fraai geïllustreerd gezien als vorig jaar, toen we in de meivakantie een huisje hadden gehuurd op een camping in Frankrijk. (...)
Mijn dochter had Achtste-groepers huilen niet bij zich, een prachtig boek van Jacques Vriens. Het gaat over een meisje, Akkie, dat leukemie krijgt. Aan het eind gaat ze dood. Mijn vrouw was begonnen met lezen. Na ieder hoofdstuk riepen de kinderen: “Hè toe, ga door, nog eentje.” Maar na een paar hoofdstukken stopte ze ermee. Vervolgens las mijn zoontje van tien een stuk. Daarna nam een meisje van vijftien (...) het over. Er waren zo’n tien kinderen aanwezig: jongens en meisjes, de jongsten vijf, de oudsten vijftien of zestien.
We lagen in de tuin voor het huisje, er scheen een waterige zon.
Ondertussen ging het steeds slechter met Akkie. (...) Er schoven wolken voor de zon, maar niemand piekerde erover om op te stappen. Het vriendinnetje van mijn dochter begon aan de laatste hoofdstukken. Akkie werd bestraald, haar haar viel uit, ze kreeg een pruik. Op een gegeven moment werd het helemaal stil. Iedereen lag ademloos te luisteren, ik ook. “Sorry,” zei het vriendinnetje door haar tranen heen. “Ik vind het zó zielig.”
“Zal ik het overnemen?” vroeg mijn vrouw na een tijdje. Het vriendinnetje knikte.
Mijn vrouw nam het boek aan maar ze begon niet meteen te lezen. Eerst hoorde ik haar nadrukkelijk slikken.’

Bron: Ewoud Sanders: Ademloos, in: Ewoud Sanders en Nop Maas: Goed gelezen. 10 jaar de Nationale Voorleesdag. Amsterdam: Stichting Lezen, 2003, p. 32-33.
Extra materiaal
Boekenstandaard
Digitale opdrachten
Tips
Copyright 2010 Uitgeverij Zwijsen | Disclaimer | PrijslijstSitemap | www.leescoordinator.nl